|
De innovatiecontracten of de kunst van het maximeren Op 2 april zijn de innovatiecontracten ondertekend die het bedrijvenbeleid van het ministerie van ELI verder gestalte geven. Het is op zijn minst een nieuwe stap in de beweging die op 26 oktober 2010 werd ingezet met de regeringsverklaring van de huidige regering. In de nota’s en brieven van minister Verhagen kreeg het stapje voor stapje meer vorm. De hoofdlijnen schetste hij op 4 februari vorig jaar. Daarop presenteerden de negen geformeerde topteams in juni 2011 hun plannen, waarna ze op 13 september de opdracht kregen om die plannen verder uit te werken. Na weer enkele duizenden uren vergaderen in subcomités en werktafels presenteerden ze eind vorig jaar hun voorstellen voor innovatiecontracten die nu in algemene termen zijn ondertekend. Nee, want de innovatiecontracten zijn dus nog altijd niet meer dan relatief vage intentieverklaringen waar nu wel per topsector bedragen aan hangen. In totaal zou het gaan, aldus de overheid, om 2,8 miljard € per jaar in 2012 en 2013. Om te beginnen is dat al een naar boven afgerond bedrag: het gaat om in totaal 5,546 miljard over twee jaar, dus 54 miljoen minder dan 5,6 miljard. Sommigen zullen zeggen: 54 miljoen op twee jaar dat maakt toch niet zoveel uit? Maar 54 miljoen is al meer dan wat de kleinste van de negen topsectoren, de creatieve sector, in die twee jaar mag verwachten. Dus toch geen peanuts. Daarmee komen we op het tweede punt: de verdeling over de topsectoren is nogal ongelijk. De grootste porties krijgen hightech en ICT (1515 mio € over twee jaar), agrofood en tuinbouw (1177 mio €) en energie (1079 mio €). Chemie is een goede vierde met 746 miljoen € en gezondheid vijfde met 649 miljoen €. Opvallend is dus al dat energie meer dan een miljard krijgt, zeker als je weet dat die derde sector feitelijk geen topsector is. Want laten we dat nog even in herinnering brengen: feitelijk drijft de Nederlandse economie op drie grote clusters: agrofood (inclusief tuinbouw), hightech en chemie. Daar kunnen we nog twee kleine sterke clusters aan toevoegen: logistiek en creatief (die laatste twee krijgen samen precies 100 miljoen € over twee jaar). Water is hoogstens sterk in de internationale natte bouw en energie en gezondheid kunnen nauwelijks als sterke economische sectoren worden aangemerkt. Weliswaar besteden we als land veel aan onze gezondheidszorg en exporteren we veel aardgas, maar dat betekent iets heel anders dan een sterk, trekkende industriële sector zijn. Van de 5,5 miljard € die nu is toegewezen, gaat dus om te beginnen 2,5 miljard € (bijna de helft) naar drie clusters die vooral goed zijn in lobbyen. Een eerste belangrijke conclusie is dus: lobbyen loont! Maar laten we er nog even op een andere manier naar kijken. Van de 5,55 miljard aan toegezegde middelen voor twee jaar komt slechts 1,9 miljard van de overheid; een groot deel daarvan was bovendien reeds door eerdere regeringen toegezegd in de vorm van FES-bestedingen die nog doorlopen en verder vooral geld voor NWO, TNO en grote technologische instituten die nu door het ministerie worden herverdeeld. 3,6 miljard € van de nieuwe investeringen moet van het bedrijfsleven komen. Maar zijn die investeringen zeker? In de onderhandelingen die aan de innovatiecontracten zijn voorafgegaan is door allerhande partijen een veelvoud aan projecten geformuleerd, waarvoor ook in veel gevallen privépartijen zich voorwaardelijk hebben gecommitteerd. Dat wil zeggen dat ze bereid zijn die projecten mee te financieren als ze doorgaan. Het probleem is evenwel dat nog helemaal niet helder is welke projecten allemaal zullen doorgaan. Helderheid bestaat alleen over projecten die al eerder werden aangevat of toegezegd . Maar daar vertellen de innovatiecontracten dan ook niets nieuws over. Dat maakt het bedrag van 3,6 miljard privé-inbreng tot nader orde hypothetisch – een hopelijk niet al te optimistische schatting. Laten we nu vooral even kijken naar wat deze minister en deze regering wel hebben weten te verwezenlijken op innovatievlak. Dat is vooral generiek beleid. Martijn van Winkelhof en Jan Hoogteijling van het ministerie van Financiën gaven daar in het economenblad ESB onlangs (16-03-12) een mooi overzicht van:
De kosten van deze regelingen zullen op jaarbasis al snel 2 miljard € bedragen, een kwart procent van het bbp – alleen Frankrijk zit met 0,29% iets hoger nog, maar de meeste landen halen nog niet de helft. Wat dus aan de hand is: iedereen heeft het over specifiek topsectorenbeleid, terwijl dat feitelijk op de terugweg is en gaandeweg vervangen wordt door generieke belastingfaciliteiten. Nu is al langer bekend dat (1) een generieke innovatie-euro tot veel minder extra investeringen in onderzoek en ontwikkeling leidt dan een specifieke, mede omdat (2) investeringen in onderzoek en ontwikkeling gedreven worden door ideeën en projecten en niet door belastingvoordeeltjes. Onlangs bleek uit EIM-onderzoek nog dat 55% van de WBSO-aftrek nergens toe dient. Het betreffende onderzoek zou toch hebben plaats gevonden. Belastingvoordelen worden door financiële managers in dank aanvaard en bij de winst opgeteld, terwijl specifieke innovatieregelingen innovatiemanagers stimuleren om sneller een extra euro uit te geven aan projecten die anders net niet rendabel zouden zijn. De overheid erkent sinds 2003 het belang van het toekomstgericht verder uitbouwen van sectorale sterktes (backing winners) en draagt dat ook uit in beleidsverklaringen. Maar feitelijk wordt die logica al weer afgebroken, ten eerste omdat nieuw geld naar generieke belastingverlagingen gaat, ten tweede omdat de helft van het oude geld voor bedrijvenbeleid naar sterke lobby’s gaat en niet naar sterke sectoren en ten derde omdat de hele benadering nodeloos onpopulair wordt gemaakt door langdurige procedures met de ene onderhandelingsronde na de andere, zonder dat er snel veel tastbaars uit te voorschijn komt. Backing winners is iets anders dan het organiseren van veel bestuurlijke drukte. |
| ||||||||||
| OVER ARCCI |
|
ARCCI is het Arnhems Centrum voor Creatieve economie en Innovatie van ArtEZ hogeschool voor de kunsten en Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN). Het staat onder leiding van Dany Jacobs (lector Kunst, Cultuur & Economie / HAN en ArtEZ) en José Teunissen (lector Modevormgeving / ArtEZ). ARCCI richt zich met onderzoek, nieuwe inzichten en projecten op het versterken van de verbinding tussen creatieve economie, ontwerp en innovatie. |



